Gedachten en gevoelens

Gedachten en gevoelens

Het verschil tussen gedachten en gevoelens

Gedachten en gevoelens zijn verschillend !

Vaak worden ze echter met elkaar verwisseld.

Bijvoorbeeld: Ik voel dat ik niet welkom ben.

Eigenlijk is dat een gedachte, die nog getoetst kan worden.

Probeer gedachten te onderzoeken en niet te focussen op het gevoel. Probeer te onderzoeken of deze negatieve gedachten realistisch zijn.

  1. Activerende gebeurtenis: b.v. “Mijn partner heeft het uitgemaakt”
  2. Negatieve gedachte: “Ik ben niet in staat relaties vast te houden”
  3. Gevoelens: “Afwijzing, wanhoop”
  4. Consequenties: “Geen initiatief meer nemen om een nieuwe relatie te vinden”
  5. Gedrag: Thuis blijven en jezelf niet meer verzorgen.

Op deze manier beïnvloeden gedachten ons gedrag. Probeer bij te houden hoezeer gedachten invloed hebben op het gevoel. Wanneer je je beter voelt zal je minder met negatieve gedachten bezig zijn. Dit werkt ook andersom. Als je minder met negatieve gedachten bezig bent zal je beter voelen. Bijhouden van gedachten en gevoelens en ze op waarde schatten dus. Wanneer het minder goed gaat maar ook als het wel goed gaat. Herken patronen.

 

Vertekening van gedachten

Gedachten kloppen regelmatig niet met de werkelijkheid.

Voorbeelden:

  1. Onjuiste etiketten (“Ik ben waardeloos”)
  2. Gedachten lezen (“Hij/zij vindt dit/dat van mij”)
  3. Zwart wit denken (“Alles wat ik doe mislukt”)

 

Soms zijn gedachten juist. Het is niet zo dat als je iemands gedachten leest je het vanzelfsprekend niet bij het rechte eind hebt.  Focus op de feiten. Het in kaart brengen en beoordelen van gedachten is een hulpmiddel. Het gaat erom terugkerende (automatische) gedachten in kaart te brengen en het bewijs voor en tegen af te wegen.

Nuttige vragen om bij het achterliggende probleem of de achterliggende angst te komen zijn zijn:

  • Waarom is het een probleem?
  • Wat zou er dan gebeuren?
  • Waarom zou je daar ongerust over zijn?
  • Wat dan?
  • Wat zou dat voor mij betekenen?

 

Stel jezelf de vraag:

  • Wat als wat je denkt waar is?
  • Wat is dan het gevolg?
  • Hoe realistisch is het dat deze gevolgen waar zijn ?”

 

Gedachten:

  • Hij vindt mij niet leuk.
  • Hij mag mij niet echt.
  • We zijn dus geen echte vrienden.
  • Dat betekent dat ik geen deel meer uitmaak van zijn leven.
  • Mijn eigen leven wordt beperkt.

Werkelijkheid:

  • Is er hard bewijs dat hij je niet mag? Nee
  • Is zijn leven mijn leven? Nee
  • Is mijn leven beperkter dan dat van hem? Ja
  • Ben ik in staat daar iets aan te veranderen? Ja
  • Zal het ooit zo vol worden als dat van hem? Nee
  • Is dit erg? Nee
  • Heb ik vriendschappen met anderen ? Ja